‘Belgische ongelijkheid is in snelle opmars’, schrijft Walter Zinzen in een opiniestuk. Dat bekt uiteraard goed in sommige kringen, maar klopt het ook of praten we mensen een ongelijkheidscomplex aan?
België is een land waar meer dan de helft van het brutoloon wordt afgeroomd. Van elke 100 euro die burgers en bedrijven creëren herverdeelt de overheid er 54. De Belgische inkomensongelijkheid is zowat de laagste ter wereld. Ook in vermogensongelijkheid blijven we onder het Europese gemiddelde. En er zijn maar weinig industrielanden waar de loonspanning, de verhouding tussen de hoogste en laagste lonen, zo klein is als in België. Dan kan je België bezwaarlijk een neoliberaal land noemen.
Afgunstspiraal
Centraal in het discours van de ongelijkheidsdenkers staat het nulsomdenken, waarbij de armen steeds armer worden omdat de rijken steeds rijker worden. Het succes van de ene betekent het falen van de andere. Alsof welvaart een taart is waarbij het stuk van de ander alleen maar kan groeien als dat van mij krimpt.
Het klopt dat extreme rijkdom de afgelopen decennia enorm is toegenomen. Elon Musk kent in de geschiedenis zijn gelijke niet. Maar als welvaart een nulsomspel is, hoe kan het dan dat, welk criterium je ook neemt, de wereldwijde armoede alleen maar daalt en de welvaart toeneemt? Dat komt omdat de rijken slechts een fractie van de totale toegevoegde waarde die ze genereren, door te ondernemen en te investeren, zelf opstrijken. De rest komt terecht bij wie werkt en consumeert. Rijkdom en welvaart zijn dan ook twee kanten van dezelfde medaille. Ze zijn beiden het resultaat van economische groei.
Als we in de toekomst nog van deze gedeelde vooruitgang willen genieten, hebben we nood aan meer, en niet minder, grote vermogens die zorgen voor groei, innovatie, werkgelegenheid en dus meer welvaart. Laten we de proef op de som nemen. Als we pakweg de rijkste 40 Belgen onteigenen van al hun vermogen, dan kan de overheid daar alle sociale zekerheidsuitgaven mee betalen gedurende minder dan een jaar. En dan is het ook op. Partijen die ‘tax the rich’ schreeuwen hopen stiekem dat ze hun holle slogans nooit in de praktijk moeten toepassen.
Afkomst staat niet gelijk aan toekomst
Op zich is ongelijkheid ook niet verkeerd. Het is onlosmakelijk verbonden met het menselijk bestaan. Elk individu wordt geboren met talenten, voorkeuren en gebreken. Per definitie is het zo dat wanneer elke burger de persoonlijke vrijheid en kansen geniet om zichzelf te ontplooien, de uitkomst anders zal zijn. Dat is ook maar rechtvaardig. Maar ongelijkheidsdenkers streven niet naar gelijke kansen, maar naar gelijke uitkomsten. Vraag eens aan een PVDA’er – de herverdelers van armoede – wat hun voorkeur wegdraagt: een wereld waarin niemand extreem arm is, maar sommigen extreem rijk of een wereld waarin iedereen even arm is. Je zal verstelt staan van het antwoord.
Nergens zijn er zoveel kansen te krijgen en te grijpen als in Vlaanderen. Afkomst staat minder dan ooit gelijk aan toekomst. Nooit eerder in de geschiedenis werden menselijk talent en merite zo beloond. En het zijn conservatieve waarden zoals hard werken, het belang van het gezin, routine, waarden en normen die deze opwaartse mobiliteit mogelijk maken.
Het tegendeel beweren is schaduwboksen om de echte problemen niet te moeten benoemen. Denk aan de ontsporende begroting en exploderende overheidsschuld, ondanks een torenhoge belastingdruk. Of een te kleine groep actieven die een te grote groep passieven moet onderhouden. We herverdelen ons te pletter met een te lage arbeidsparticipatie als resultaat.
Neen, we hebben geen nood aan meer herverdeling. Sterke schouders moeten niet nóg meer dragen, het zijn meer schouders die de lasten moeten dragen.