Het spook van de westerse zelfhaat

Het spook van de zelfbeschuldigingscultuur waart door het Westen. Het Avondland maakt er een sport van om de eigen geschiedenis te beoordelen op haar slechtste momenten, en die van de anderen op hun beste momenten. We staan niet langer op de schouders van reuzen, maar op de schouders van criminelen. Voor deze collectieve blanke erfzonde is geen verlossing mogelijk. Elke aanslag op dat Westen is dan ook niet meer dan herstelrecht voor ons donker verleden.

Deze tirannie van de collectieve verantwoordelijkheid is een heilloos pad. Het betekent dat alle blanken, louter omwille van dezelfde huidskleur, ongeacht hun daden en die van hun voorouders, verantwoordelijk zijn voor alle wandaden uit het verleden. Onversneden racisme is het. Het doorknippen van de band tussen persoonlijk handelen en verantwoordelijkheid/schuld is overigens een doodlopende weg. Je weet waar je begint, maar niet waar je eindigt. Want bekeken door de lens van vandaag bestaat het verleden vooral uit ruïnes. ‘The past is a foreign country, they do things differently there’, schreef L.P. Hartley in zijn roman The Go-Between.

We keren onze rug dan ook niet naar de geschiedenis, maar we veranderen wel. Geen beschaving is zo zelfkritisch als de westerse. We hadden de trans-Atlantische slavenhandel, maar ook het abolitionisme. Overigens was slavernij geen uniek westers fenomeen. Afrikanen verkochten Afrikanen aan Europeanen, en hielden nog meer slaven voor zichzelf. Zeker, dit continent kende haar demonen, maar we overwonnen ze wel. Democratie, gelijkheid, vrijheid, de rechtsstaat, rule of law zijn westerse verwezenlijkingen. Dat praat niks goed, maar plaatst wel kanttekeningen bij de bijziendheid van de surrogaatmarxisten.

Waste Land

Wanneer daalde dat sombere zelfbeeld eigenlijk over ons heen? We maken een tijdsprong naar de vorige eeuw. De belle époque was een periode van stijgende welvaart, innovatie en geloof in eigen kunnen. De eerste barst in dat vooruitgangsgeloof kwam er met de Grote Oorlog. T.S. Eliot verwoordde zijn wanhoop in het klassieke gedicht The Waste Land.  Amper twee decennia later gaf WO II de humanistische idealen de genadeslag. Het postmoderne denken domineerde het naoorlogse mens- en wereldbeeld. Dat resulteerde in de totale deconstructie van alles wat een verzameling individuen tot een gemeenschap maakt.  

De idee dat een gemeenschappelijke identiteit, die zowel intellectueel als gevoelsmatig aanspreekt, noodzakelijk is opdat burgers zich verbonden weten met het verleden, solidair zijn in het heden en een gezamenlijke toekomst willen uitbouwen, werd verworpen. Nationalisme en identiteit werden verbannen naar de zwarte bladzijden van de Europese geschiedenis.

Het sublieme

Na het nationalisme kwam het artistieke in het vizier van het Europees masochisme. Dante, Shakespeare, Proust, ze moesten allemaal op het kapblok. Sublieme kunstwerken, filosofie en cultuur leiden toch maar tot de gaskamers. Deze oprisping van zelfafbraak zien we vandaag nog terug in het straatbeeld. Romanschrijver Milan Kundera schreef over de ‘verlelijking van de wereld’. Een andere omschrijving is waarde(n)loos. Niet dat elk modern gebouw weerzinwekkend is. Verre van. Met waarde(n)loos bedoel ik dat moderne bouwstijlen – ik ga nu even kort door de bocht, dat is soms nodig om een punt te maken – vrij zijn van waarden. Vooral bij het brutalisme staat de menselijke maat niet langer centraal.

Universele behoefte

We kunnen er een heel bos over opzetten, maar in regel behoor ik niet tot de strekking die schoonheid wegzet als de allerindividueelste uitdrukking van smaak. Ik weet wel: des goûts et des couleurs, on ne discute pas, maar toch ben ik ervan overtuigd dat schoonheid het vermogen bezit om de subjectiviteit te overstijgen. Ik speel even leentjebuur bij Roger Scruton, die de Britse adviescommissie Building Better, Building Beautiful leidde. ‘Schoonheid is niet alleen iets subjectiefs, maar een universele behoefte van mensen. Als we deze behoefte negeren, bevinden we ons in een spirituele woestijn.’ De conservatieve filosoof raakt hier een gevoelige snaar. Vlaanderen heeft prachtige historische steden, maar af en toe word ik alsnog overvallen door een bepaalde infantilisering van de smaak.

De menselijke maat

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat vóór deze infantilisering van de smaak architecten een tederheid aan de dag legden ten aanzien van plaatsen en hun geschiedenis. Ze streefden naar continuïteit binnen een historische en ruimtelijke context. Zijn afwijkingen dan uit den boze? Helemaal niet. Maar om de afwijkingen te kunnen waarderen moet je eerst een duidelijke norm afbakenen. Noem het vasthouden aan wat zich als waardevol heeft bewezen. Want dat voordeel heeft het verleden op de toekomst. We weten wat we eraan hebben. Het komt er dan op aan om te bewaren wat het bewaren waard is en te verbeteren waar nodig. Dat laatste niet met de botte bijl, maar met chirurgische precisie. Die gedachte lijkt vandaag wel een anachronisme. Gebouwen maken immers niet langer een brug, maar een brutale breuk met het verleden.

McDonaldisering

Deze infantilisering van de smaak biedt mogelijks een verklaring voor de toename van ‘kloonsteden’. Het is u vast ook al opgevallen. Of u nu op bezoek bent in Londen, Parijs, Amsterdam of Gent. Telkens dezelfde anonieme rij van ketens. Steden werken zich uit de naad om de teenslippers dragende en selfiestick gebruikende wereldburgers op hun wenken te bedienen. Toegegeven, de McDonaldisering van het stadslandschap brengt heel wat voordelen met zich mee. Het zorgt voor de democratisering van producten en diensten die vroeger voorbehouden waren voor een select clubje. Bovendien appelleert het aan het menselijk verlangen naar voorspelbaarheid en herkenbaarheid. Geen keuzestress. Daartegenover staat wel een verlies aan diversiteit, lokale waarden en tradities. Ook het genot van een nieuwe ontdekking, van het stuiten op een verborgen parel, gaat verloren.

Wortels

Valt deze tendens nog te keren? Absoluut. Laat dit een oproep zijn om terug gemeenschapsvormend te bouwen. Met herinneringen aan het verleden, maar de blik op de toekomst. Dat gaat vanzelfsprekend gemakkelijker als we ons verbonden weten met onze wortels. ‘Il faut être de quelque part’ fluisterde kardinaal Retz Lodewijk XIV in de oren. Misschien moet de volgende Vlaamse regering toch eens nadenken over een onafhankelijk orgaan dat de overheid adviseert in het beter en mooier bouwen?

Gepubliceerd door Mathieu Cockhuyt

Mathieu Cockhuyt (1993) behaalde een bachelor in de sociale wetenschappen en een master in de criminologie. Hij studeert bestuurskunde en publiek management aan de UGent en is werkzaam als parlementair medewerker van Valerie Van Peel (N-VA), jongerenvoorzitter van N-VA Gent en columnist.

Plaats een reactie