Exit De Bleeker

Toen in 1991 de Palestijnse terrorist Walid Khaled een geldig Belgisch visum bleek te hebben, verklaarde toenmalig bevoegd minister van Buitenlandse Zaken Mark Eyskens (CD&V) dat “hij in elk ander land ontslag zou nemen, maar niet in dit apenland”. Deze anekdote illustreert hoe we in dit land omgaan met politieke verantwoordelijkheid.

In zijn memoires beklaagt Wilfried Martens (CD&V) zich dat hij Eyskens, maar ook Nothomb (cdH) na het Heizeldrama, ondanks alles toch had gesteund. “Ik had hen destijds tot ontslag moeten aanzetten, niet omdat ik hen persoonlijk verantwoordelijk achtte maar omdat ministers de politieke verantwoordelijkheid moeten aanvaarden voor zware tekortkomingen die aan hun diensten kunnen worden verweten.” Martens verwijst naar de Franstalige liberaal Robert Henrion die in de nasleep van het Heizeldrama argumenteerde dat “door ontslag te nemen de minister zijn departement toelaat om met een schone lei te herbeginnen”.

Henrion refereerde aan de zogenaamde Carrington-doctrine. De Britse minister van Buitenlandse Zaken Lord Carrington nam op 5 april 1982 ontslag omdat zijn administratie de Argentijnse invasie van de Falklandeilanden niet had zien aankomen. Ook wanneer een minister persoonlijk geen schuld treft, neemt hij de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van het falen van zijn ambtenarij, verklaarde hij daarover.

Het ontslag van staatssecretaris Eva De Bleeker (Open VLD) is een toepassing van deze Carrington-doctrine. Het was Sander Loones (N-VA) die de kat de bel aanbond en (alweer) fouten aantrof in de afgeleverde begroting. De fout te veel, zo bleek na een intern crisisoverleg bij de Open VLD-top. Barbertje moet hangen. Open VLD stuurde haar staatssecretaris de woestijn in. Of De Bleeker de juiste zondebok is laat ik hier in het midden, maar Loones bewijst wel dat noeste parlementaire arbeid van een oppositielid wel degelijk vruchten afwerpt.

De oppositie heeft – onterecht – geen al te beste reputatie: op zijn best een luis in de pels, maar toch vooral machteloos.  Voormalig liberaal politicus Herman De Croo vergeleek oppositiewerk ooit met fietsen op een hometrainer: hard trappen en je raakt geen meter vooruit. Voor diegenen die ooit proefden van machtsdeelname is een oppositiekuur geen opportuniteit tot herbronning, maar een wachtkamer tot wanneer ze opnieuw in de spits mogen spelen.

Naar Brits model behoort de controletaak tot de essentie van het parlementair systeem. De oppositie kijkt en luistert naar wat er gebeurt en gezegd wordt, en vooral naar wat er niet gebeurt en niet gezegd wordt. Zoals zo vaak is dat laatste net het meest zeggende. Getuige de discussie binnen Vivaldi over het wel of niet meenemen van de extra budgettaire kost van de btw-verlaging op energie in de begrotingstabellen.

“The duty of the opposition is to oppose” is wellicht het meest geciteerde citaat over de oppositie. Het oorspronkelijke citaat gaat echter veel verder: “The duty of an opposition is to propose nothing, to oppose everything and turn out the government.” Sta me toe die oorlogscultuur toch wat te nuanceren. Het spreekt voor zich dat de oppositie de uitvoerende macht met alle mogelijke middelen te lijf gaat, maar een oppositielid mag nooit vergeten dat de politieke vijanden van vandaag de politieke bondgenoten van morgen kunnen zijn. Oppositiewerk is dus een vak apart.

In Het geknakte riet schrijft wijlen Wetstraat-chroniquer Hugo De Ridder dat “een regering de oppositie veelal bekijkt als een nutteloze rem die belet dat de wagen vlot de berg oprijdt terwijl de oppositie de rem ingedrukt houdt omdat ze ervan overtuigd is dat de auto de berg afrijdt”. Hier komen we tot de essentie. Oppositie is een remmende kracht op een ontsporende machtsontplooiing.  

Een noodzakelijke kracht bovendien, want, aldus Machiavelli, “wie de macht het meest begeert, is vaak het minst geschikt om haar in handen te krijgen”. Als de oppositie onheil kan voorkomen is dat al veel. En dat bedoel ik niet geringschattend, integendeel, want “all power corrupts, absolute power corrupts absolutely”, schreef de Britse politicus en schrijver Lord Acton reeds in de 19e eeuw.

Oppositie is dus een noodzakelijke garantie voor een democratie. Quinten Hogg, Brits minister van Justitie onder Heath en Thatcher, benadrukte het belang van de oppositie als volgt: “Het is maar een kleine stap van een afwezige oppositie naar een volledige dictatuur.”

Gepubliceerd door Mathieu Cockhuyt

Mathieu Cockhuyt (1993) behaalde een bachelor in de sociale wetenschappen en een master in de criminologie. Hij studeert bestuurskunde en publiek management aan de UGent en is werkzaam als parlementair medewerker van Valerie Van Peel (N-VA), jongerenvoorzitter van N-VA Gent en columnist.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: