Wie gelooft nog in democratie?

De Franse socioloog Pierre Rosanvallon legt de vinger op de wonde wanneer hij schrijft dat het democratisch ideaal onverdeeld heerst, maar de regimes die zich erop beroepen overal kritiek uitlokken. Begrijp me niet verkeerd. De overheid wantrouwen is een gezonde reflex, maar het wankelend geloof in onze democratische instellingen als systeem moet elke democraat zorgen baren. Dit louter toeschrijven aan het Belgische institutionele imbroglio – het maakt het er zeker niet beter op – is een te simplistische voorstelling van de feiten. Het hele Westen kampt namelijk met hetzelfde fenomeen.  

Een steeds terugkerende dam tegen het leeglopen van de democratie – niet zo radicaal als de roep om de sterke leider of een technocratie, maar daarom niet minder bedreigend –  is de participatieve democratie. Denk burgerpanels en -lotingen. Alsof het loten van lukrake individuen, zonder enige verantwoordingsplicht, een beter resultaat oplevert dan het democratische proces van verkiezingen. Overigens zijn verkiezingen zowat de grootste vorm van participatie die de mens ooit heeft gekend. De voorstanders van meer participatie zien zichzelf als moderne Prometheus-figuren die het democratische vuur terugbrengen naar het volk. Zij dwalen.

We Need To Talk

Afgelopen week plofte het rapport van het burgerpanel We Need To Talk op mijn bureau. Het verslag beweert een weergave te zijn van de hartslag van de samenleving. Ik laat het voorwoord tot me doordringen en struikel meteen over een stelling waarbij elke democraat de wenkbrauwen fronst. Zo schijnt de mening van goed geïnformeerde burgers evenveel waard te zijn als die van politici, maar met het voordeel van onafhankelijkheid. Betekent dit dat de mening van een minder goed geïnformeerde burger minder waard is? En wat betekent “goed geïnformeerd”? Bovendien is het een denkfout dat burgers of technocraten onafhankelijker zijn dan politici. Iedereen heeft een politieke kleur. Iedereen heeft een bias. Met dit verschil dat politici uitkomen voor hun bias en dat ze verkozen zijn om het volk te vertegenwoordigen. Dat laatste betekent ook dat ze zich, met het risico te worden weggestemd, elke verkiezing moeten verantwoorden. Zeg nu zelf, welk beleid doorstaat de legitimiteitstoets? Het beleid dat steunt op de stilzwijgende instemming van de brede bevolking, die met rust wil gelaten worden, of het beleid dat gestuurd wordt door een kleine, luidruchtige en activistische groep?

Een ander, meer praktisch, probleem, is dat de meeste mensen niet de tijd, noch de goesting en opleiding hebben om zich met staatszaken bezig te houden. In werkelijkheid bestaat de participatie-elite voornamelijk uit elitaire lobbyisten die de kiezer misprijzen en te veel vrije tijd hebben. Afgezien van concrete lokale initiatieven, verkies ik de participatie van verkiezingen boven die van panels en lotingen. Politici die zich toch niet kunnen bedwingen om te pas en te onpas bij de burger te rade gaan, kunnen zich laten inspireren door Edmund Burke: ‘your representative owes you, not his industry only, but his judgement, and he betrays you instead of serving you if he sacrifices it to your opinion.’

Los het op!

Toegegeven, de minachters van de kiezer verkeren in goed gezelschap. Het is welbekend dat Plato zijn heil zocht bij de filosoof-koning, en de gedachte dat zijn pruikenmaker wetgever zou kunnen worden joeg Voltaire de stuipen op het lijf. Meer recent kunnen participatietijgers terecht bij David Van Reybrouck, de schrijver van een essay met de weinig aan de verbeelding overlatende titel Tegen verkiezingen. Enkele jaren geleden kwam hij met de G1000, een burgerpanel waar tot op heden weinig tastbaars uit is voortgekomen, behalve dan dat rood, geel en groen de mooiste kleuren zijn voor een nieuwe nationale driekleur – een kleurenpalet dat afhankelijk van de richting reeds ingenomen is door Bolivia en Guinee.

De voorstanders van de eerder vermelde vingeroefeningen zullen opwerpen dat democratie te traag werkt en dat politici steeds de confrontatie aangaan. Onze democratie werkt inderdaad tergend traag. Dat heeft het voordeel dat we minder snel uit de bocht vliegen. Anders dan in totalitaire regimes ligt in een democratie het eindresultaat niet vast. Het is sturen en bijsturen. Dat politici altijd het conflict opzoeken vind ik ook een weinig overtuigend argument. Dat doet me denken aan tv-maker Tom Lenaerts die enkele jaren geleden in prime time Kamerleden De Roover (N-VA) en Calvo (Groen) tot de orde riep: ‘zijn jullie niet beschaamd? Dit is een circus, los het op!’. Wel neen, zo werkt het niet. Politiek is de publieke ruimte waarin politici standpunten verkondigen zonder dat er ooit een einde aan het debat komt. Margaret Thatcher had gelijk toen ze consensus omschreef als ‘het proces van het opgeven van alle overtuigingen, principes, waarden en beleid op zoek naar iets waarin niemand gelooft, maar waartegen niemand bezwaar heeft. Het is het proces van het vermijden van de kwesties die moeten worden opgelost, alleen maar omdat je geen overeenstemming kunt krijgen over de te volgen weg. Welke grote zaak zou zijn bevochten en gewonnen onder de vlag: Ik sta voor consensus?’. Politiek is per definitie partijdig is. Politiek polariseert in een “wij” en een “zij” en impliceert dus een “vriend-vijand-relatie”.

Kwetsbaar

Onze liberale democratie is een systeem waarbij de meerderheid bestuurt, maar met ingebouwde beschermingsmechanismen voor het individu. Het is een systeem waarbij elke stem in het kieshokje evenveel waard is – bij de federale zetelverdeling is de Vlaamse stem weliswaar minder waard –, en waarbij elke burger individuele rechten en vrijheden geniet. Bovendien is de stoel van de macht leeg. Elke meerderheid is tijdelijk. De meerderheid van vandaag kan de minderheid van morgen zijn. Dat systeem is kwetsbaar, maar lijkt mij het verdedigen waard.

Gepubliceerd door Mathieu Cockhuyt

Mathieu Cockhuyt (1993) behaalde een bachelor in de sociale wetenschappen en een master in de criminologie. Hij studeert bestuurskunde en publiek management aan de UGent en is werkzaam als parlementair medewerker van Valerie Van Peel (N-VA), jongerenvoorzitter van N-VA Gent en columnist.

Plaats een reactie