Er zijn dagen waarop ik de stad ruik. Niet zomaar. Ik bedoel écht ruiken. De geur van vers gemaaid gras, van horecaterrassen, van een bouwwerf, van de Leie — ja ook van uitlaatgassen. Het is de doordringende geur van een gemeenschap, van wat geen beleidsnota ooit op papier krijgt.
Ik ben, vergeef me, een gemeenschapsdenker. Meer nog: ik ben een romanticus van het lokale. Niet uit nostalgie, maar uit noodzaak. Want ik geloof dat de mens pas écht begint te bestaan in zijn gemeenschap. Daar waar hij zijn buren groet, zijn kroost aflevert aan de schoolpoort, en de lokale cafébaas in de huid kruipt van toogpsycholoog.
Vissenmop
Het lokale is de plek waar identiteit ontstaat, waar rechten en plichten betekenis krijgen. Het goede, het ware en het schone kunnen niet bestaan zonder deze gemeenschapscontext waarin we betekenis geven aan onszelf en onze waarden. Daarom moet ook politiek daar beginnen, op de plek die het dichtst bij ons ligt: de gemeente.
De Franse denker Alexis de Tocqueville zag het al in de 19e eeuw: lokale instellingen zijn de school van de burgerzin. Zij wekken het verlangen om zich met publieke zaken bezig te houden en wennen de burger eraan dat ook daadwerkelijk te doen.
Maar wat zien we vandaag? Een technocratische Medusa. Een versmachtend ambtenarees. Een lawine van regels, die spontane menselijk activiteit niet dienen, maar onderdrukken. Wat ooit ruwe, feilbare, maar authentieke lokale besluitvorming was, is verworden tot spreadsheetpolitiek. En de burger? Die mag participeren. Op woensdag, tussen 15u en 16u.
En we beseffen het zelfs niet meer. Het is zoals in de vissenmop van David Foster Wallace. Die gaat zo: twee jonge vissen zwemmen rond en ontmoeten een oudere vis. Die knikt vriendelijk en zegt: ‘morgen jongens, hoe is het water?’ De twee kijken elkaar aan en vragen: ‘Wat is in hemelsnaam water?’
Wallace gebruikte deze mop om duidelijk te maken hoe vaak we ons niet eens bewust zijn van de context waarin we leven. En net daarom moeten we die context — onze lokale gemeenschap — opnieuw zichtbaar en tastbaar maken.
Tegengewicht
De Britse filosoof Roger Scruton, mijn vaste metgezel, benadrukte dat politiek meer is dan regels. Het is verantwoordelijkheid opnemen voor elkaar, in een gemeenschap die méér is dan een optelsom van individuen. Het is een levend lichaam, doordrenkt van traditie, geschiedenis en rituelen.
Kleine, lokale gemeenschappen bieden bovendien weerstand tegen de overmacht van de staat. Wanneer je de stoep veegt van de buurvrouw met een gebroken heup, is dat niet zomaar liefdadigheid. Het is een daad van burgerschap. En ja, zelfs van rebellie. Want de kracht van het lokale ligt in het banale, het nabije, het menselijke. Niet omdat het goedkoper is, maar omdat het zinvoller is.
Dat is het hart van het subsidiariteitsbeginsel, een erfstuk van de thomistische traditie: verantwoordelijkheid moet liggen waar mensen zich (h)erkend voelen. Soms is dat Europees. Vaak Vlaams. Altijd Gents.
Forum
Hier, tussen de stenen van de Vrijdagmarkt, onder de bronzen lichten van de historische straten, vinden Gentenaars de waarheid van hun bestaan. De gemeenteraad moet dan ook het kloppende hart van de stad zijn. Een forum waar we spreken over vuilnis én waarden. Over rioolbuizen én rituelen. Niet als verlengstuk van hogere overheden, maar als arena van lokale soevereiniteit.
(Verschenen in Doorbraak op 03/05/2025)