De overheid moet mensen beschermen, niet hun leven bepalen

Meer overheidsinterventie, meer regels, meer belastingen. Telkens onder het edele voorwendsel van het bevorderen van ‘geluk’ en ‘gelijkheid’. In Gent zien we dit terug in het paars-groene malgoverno met Sinterklaaspolitiek, bureaucratische Kafka, doorgeslagen doelgroepenbeleid en een financiële kater. Amerikaans president Ronald Reagan vatte dit schrikbeeld kernachtig samen: ‘The nine most terrifying words in the English language are: I’m from the government, and I’m here to help.’

Ergens in de loop van de vorige eeuw namen we afscheid van het idee dat ieder mens verantwoordelijk is voor zijn eigen geluk. De overheid drong steeds dieper binnen in het dagelijks leven met een uitdijende brij van wetten, regels en subsidies die het goede leven moeten garanderen. Van kinderopvang tot terrasverwarming, van voeding tot energieverbruik: de overheid tekent voortaan het routeplan van de burger. Maar zodra de politiek zichzelf verheft tot hoeder van het Goede, wordt zij zelden beschermer van vrijheid. Wie het geluk van de mens wil sturen, eindigt altijd aan de kant van de onderdrukkers.

Egaliserende voogden

De Franse filosoof Alexis de Tocqueville luidde tweehonderd jaar geleden al de alarmbel: leiders van democratieën worden zelden tirannen, maar steevast voogden. Een bemoeizieke, zachte staat, hoe goedbedoeld ook, verstikt langzaam de vrijheid. Of, om het met een tegeltjeswijsheid te zeggen: de weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen.

Dit is ook de rode draad in het werk van Paul Frissen. De Nederlandse professor bestuurskunde schetst een wereld waarin verschillen onontkoombaar zijn: ongelijkheid, afwijking, gebrokenheid — het behoort tot de natuur van het bestaan. Wie gelooft dat een overheid deze gebrokenheid volledig — met de nadruk op volledig — kan uitwissen, begeeft zich op een glibberige helling richting tirannie, nog los van de wenselijkheid. Mensen zijn nu eenmaal niet gelijk en hun verschillen laten zich niet egaliseren.

Mensen zijn nu eenmaal niet gelijk, en hun verschillen laten zich niet egaliseren.

Pogingen daartoe leiden tot een omvangrijker statelijk apparaat, draconische maatregelen en uiteindelijk tot een bedreiging van de individuele vrijheid. Elke nieuwe wet, elk rapport, elke subsidie die ongelijkheid zou moeten opheffen, schept tegelijkertijd nieuwe afhankelijkheden, nieuwe frustraties en nieuwe bemoeienis.

Progressieve experimenten

Het verleden, van het ancien régime tot de progressieve en totalitaire experimenten van de twintigste eeuw, leert ons telkens hetzelfde: de wereld laat zich niet kneden naar de abstracte idealen van politici en wetgevers. De onweerstaanbare gedachte dat een regering de voorspoed van de mensheid kan beheersen, is even verleidelijk als gevaarlijk. Want de overheid faalt. En ze faalt het meest als ze beleid voert vanuit een ongebreideld geloof in de scheppende kracht van de wetgever.

Helemaal vrijuit gaat de burger zelf ook niet. Iedereen verlangt zelfbeschikking, maar zodra iets misloopt, moet de overheid de scherven lijmen. De homo politicus volgt braaf: niet gespeend van profileringsdrang vervult de volksvertegenwoordiger ijverig zijn wetgevende of subsidiërende taak. Geen Imodium kan de wettendiarree stoppen, geen kat vindt nog haar jongen terug in de subsidiejungle. Het resultaat? Burgers als klanten van nv Vadertje Staat, politici als vleiers in plaats van leiders.

Iedereen verlangt naar zelfbeschikking, maar zodra iets misloopt, moet de overheid de scherven lijmen.

Daarom is bescheidenheid een voorname politieke deugd. Tocqueville en Edmund Burke, de aartsvader van het conservatisme, waren daar stellig van overtuigd. Bescheidenheid in het beleid, bescheidenheid in verwachtingen, bescheidenheid in het geloof in de maakbare mens. Het is de gemeenschap, de spontane verbanden tussen burgers, die samenleven, zorgen en innoveren.

Zingeving, gemeenschap en geborgenheid

Vandaag, in een samenleving die geluk meet in consumptiegoederen en instant bevrediging, is het daarom essentieel eraan te herinneren dat mensen hunkeren naar zingeving, gemeenschap en geborgenheid. Identiteit, verantwoordelijkheidszin en civiele deugden vormen de fundamenten van een gezonde samenleving — niet de eindeloze interventies van een almachtige overheid.

Laat dit een pleidooi zijn voor een terughoudende overheid. Een overheid die het private initiatief respecteert, spontane verbanden ondersteunt en het individu niet tot passieve klant maakt. Een overheid die waakt, maar niet heerst. Zoals Burke zei: verkozenen moeten gidsen zijn, geen werktuigen. En zoals Tocqueville ons waarschuwde: voogden kunnen de vrijheid verstikken, zelfs wanneer ze het goed menen. Het is tijd dat we deze les eindelijk ter harte nemen.

(Verschenen in Doorbraak op 11/11/2025)

Gepubliceerd door Mathieu Cockhuyt

Mathieu Cockhuyt (1993) behaalde een bachelor in de sociale wetenschappen en een master in de criminologie. Hij studeert bestuurskunde en publiek management aan de UGent en is werkzaam als parlementair medewerker van Valerie Van Peel (N-VA), jongerenvoorzitter van N-VA Gent en columnist.

Plaats een reactie