De, eerder links georiënteerde, Britse onderzoeker Harry Pettit, zou dit academiejaar aan de Vrije Universiteit Brussel aan de slag gaan. Tot op sociale media enkele opmerkelijke berichten opdoken. Pettit prees openlijk het Iraanse regime en liet verstaan dat Iran Israël “voor eens en voor altijd moest beëindigen”. Uiteindelijk besloot de universiteit de samenwerking stop te zetten.
De oproep van de haatdocent, zoals ze hem in Nederland omschrijven, heeft het voordeel van de duidelijkheid: extreemlinks zocht en vond een bondgenoot in het islamisme. Ze vinden elkaar in hun afkeer voor het Westen. Een afkeer voor individuele vrijheid, liberale democratie en een markteconomie.
De Franse, linkse, filosoof Michel Onfray omschrijft dit fenomeen als “islamo-gauchisme”. In L’autre collaboration beschrijft hij een faustiaans pact waarin progressieven — die zichzelf graag opwerpen als verdedigers van vrouwen-, mensen- en holebirechten — vanuit een antiwesters sentiment, opvallend mild zijn voor een bloederige politieke ideologie die precies die waarden verwerpt. Het is een duivelspact. En het is niet de eerste keer.
De twintigste eeuw staat bol van voorbeelden waarin de linkse intelligentsia zich laten verleiden door vrijheidsdodende regimes. Michel Foucault ontpopte zich tot slippendrager van ayatollah Khomeini. Jean-Paul Sartre verdedigde het communisme en zag in Mao en Stalin de architecten van een betere wereld. Iedere kritische stem was een “warme bakker van de Koude Oorlog”.
Nog schokkender was Sartres fascinatie voor geweld. In zijn voorwoord bij De verworpenen der aarde van de antikoloniale radicaal Frantz Fanon, verheerlijkt hij het doden van Europeanen als een vorm van emancipatie. Vanuit het veilige Café de Flore in Parijs verhief de existentialist geweld tot morele plicht. De Tsjechische dissident Václav Havel sprak over de verminking van het ethische geweten.
Verrassend is dat niet. Fascisme heeft inherent een progressieve kant. Fascisme komt in essentie neer op de totale vernietiging van de bestaande politieke en maatschappelijke orde, in de jacht naar een utopisch ideaal aan de horizon. De revolutie, en daarbij is geweld gepermitteerd schreef Lenin al in Staat en revolutie, moet alles wegvagen om de nieuwe mens te scheppen. Michel Onfray spreekt over de fachosphère de gauche.
Hannah Arendt was in Over geweld dan ook genadeloos voor deze intellectuele verdwazing. De geschiedenis gaf haar gelijk. Van de Goelagarchipel tot de Killing Fields van Cambodja werd de utopie van de communistische, maakbare samenleving, betaald met tientallen miljoenen doden.
Toch blijft een deel van de westerse intelligentsia opvallend mild voor dat verleden. Zo ook Ilja Leonard Pfeijffer, wiens literaire talent haaks staat op de politieke ideeën die hij ventileert. Maar “de bewering dat het communisme in theorie werkt is een voorrecht van hen die nooit in de praktijk onder een communistisch bewind hebben moeten leven”, schreef Alicja Gescinska in De Morgen.
Het is een luxury belief: overtuigingen die moreel prestige opleveren voor wie ze verkondigt, maar waarvan anderen de gevolgen moeten dragen.
De wortels van die houding liggen deels in het postmodernisme. Waarheid werd herleid tot machtsverhoudingen. Niet wat iemand zegt telt, maar wie het zegt. D’où parles-tu?
In dat klimaat had het werk van Edward Said een enorme invloed. In Orientalism stelt hij het Westen voor als een machtsconstructie die andere culturen structureel onderdrukt. Dat idee nestelde zich diep in onze universiteiten en culturele middens. Anti-Amerikanisme wordt dan een morele reflex en islamisme — of communisme, al naargelang de context,— verschijnt dan als een vorm van verzet. Verzet tegen een beschaving die ons democratie, secularisering, individuele vrijheid en de rechtsstaat bracht.
Het probleem is niet dat het Westen kritiek krijgt. Het is wél een probleem wanneer progressieve intellectuelen er een sport van maken om de eigen geschiedenis te beoordelen op haar slechtste momenten, en die van anderen op hun beste. We staan dan niet langer op de schouders van reuzen, maar op de schouders van criminelen. Elke aanslag op datzelfde Westen wordt dan al snel een vorm van historisch herstelrecht. Zo telde 9/11 heel wat cheerleaders ter linkerzijde.
Dat sentiment druipt van Pettits uitspraken. Het is het cement van een duivelspact tussen extreemlinks en een totalitair gedachtegoed.
Het is l‘autre collaboration.
(Verschenen in Doorbraak op 20/03/2025)