Waarom ik ook meningen verdedig die ik verafschuw.
Er staat een lege stoel in het hart van elke democratie. Eeuwenlang was die stoel bezet. Door koningen die regeerden bij de gratie Gods. Door keizers die zich onaantastbaar waanden. Zij claimden niet alleen de macht, maar ook de waarheid.
De democratie begon pas toen niemand de stoel van de macht nog definitief mocht bezitten. De Franse filosoof Claude Lefort zag daarin haar wezen. Macht behoort in een democratie nooit toe aan één persoon of één partij. Zij wordt tijdelijk uitgeoefend, nooit voorgoed toegeëigend.
Hetzelfde geldt voor ideeën. Ook zij mogen nooit definitief heersen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet.
Democratie veronderstelt immers iets wat veel moeilijker is dan het lijkt: de aanvaarding dat ook de ander een stem heeft. Zelfs wanneer zijn woorden ons kwetsen. Democratie is in essentie geïnstitutionaliseerde onenigheid. Zij probeert verschillen niet uit te wissen, maar vreedzaam te organiseren.
Vrijwel niemand heeft moeite met vrije meningsuiting zolang hij akkoord gaat met wat gezegd wordt. De echte beproeving begint wanneer woorden provoceren. Wanneer meningen botsen met onze diepste overtuigingen.
Dan duikt telkens de verleiding op om bepaalde opinies te verbieden. Afgelopen week nog in de opiniepagina’s van de politiek correcte kranten De Morgen en De Standaard . Ook Marc Reynebeau kon uiteraard niet achterblijven .
Zelden uit kwade wil. Vaker vanuit het heilige geloof in het eigen gelijk. Wie ervan overtuigd is de waarheid te bezitten, begint vroeg of laat te bepalen welke stemmen nog gehoord mogen worden.
Dat inzicht lag ook aan de basis van de Verlichting. Spinoza zag het als een fundamentele opdracht van de staat om vrijheid mogelijk te maken. Geen vrijheid van denken zonder vrijheid van spreken.
Ook de Verlichtingsfilosoof Condorcet doorzag het gevaar van wat hij beschouwde als het despotisme van het juiste woord. Wie bepaalt wat (on)toelaatbaar is? Hij kende het antwoord al. Degene die toevallig aan de macht is.
Maar vrijheden worden niet ontworpen voor de machthebbers die wij vertrouwen. Zij worden ontworpen voor de machthebbers die wij vrezen.
Diezelfde les ligt vervat in onze eigen constitutionele traditie. De Belgische Grondwet van 1831 gold als een van de meest liberale van Europa. Haar opstellers begrepen dat vrijheid nooit mag afhangen van de welwillendheid van wie regeert.
De ware test van een vrije samenleving is dan ook niet of zij ruimte laat voor ideeën waarmee iedereen akkoord gaat. De ware test is of zij ook plaats laat voor meningen die zij verafschuwt. Precies daarom botsen discussies over vrije meningsuiting vroeg of laat op dezelfde vraag: moet haatspraak dan kunnen?
In een vrije samenleving wel. Niet omdat haat een deugd is, maar omdat de grens niet hoort te liggen bij kwetsende of verwerpelijke meningen, maar bij het oproepen tot geweld.
Is vrije meningsuiting dan absoluut? Neen, geen enkel recht is dat. Maar van zodra we de grens van het toelaatbare verschuiven van geweld naar gevoelens, betreden we gevaarlijk terrein.
Dat betekent niet dat elke mening daarom verstandig of wenselijk is. Niet alles wat gezegd kan worden, moet gezegd worden. Er is nog zoiets als fatsoen, verantwoordelijkheid en zelfbeheersing. Maar tussen het laakbare en het strafbare gaapt een wereld van verschil. Een mening weerleg je met een betere mening. Een argument met een sterker argument. Niet met een verbod.
Zodra alleen nog uitgesproken mag worden wat maatschappelijk aanvaard is, hebben we geen vrije meningsuiting meer. Dan hebben we toestemming om te spreken. Zo begint het altijd. Eerst worden woorden verdacht. Daarna ideeën. Uiteindelijk regeert het dictaat van de langste tenen.
Democratie vraagt niet dat wij elkaar gelijk geven. Zij vraagt iets veel moeilijker: dat wij aanvaarden dat niemand het laatste woord heeft. De stoel van de macht blijft leeg. Gelukkig maar. Want zodra iemand mag bepalen welke ideeën nog uitgesproken mogen worden, is die stoel niet langer leeg.
(Verschenen in Doorbaak op 05/06/2026)