De staat is geen erfgenaam

De erfbelasting als sociale hefboom oogt op het eerste gezicht onweerstaanbaar. Wie kan zich immers verzetten tegen een ‘gelijker’ startpunt? Toch miskent die intuïtie één van de meest basale intergenerationele verbanden in onze samenleving: het gezin.

Erfenissen zijn meer dan geld of vermogen. Ze zijn gestolde tijd: jaren van arbeid, spaarzaamheid en verantwoordelijkheid, samengebald in wat de ene generatie overdraagt aan de volgende.

Wanneer Paul De Grauwe en Philippe Van Parijs in de zogenaamde kwaliteitskrant De Standaard pleiten voor een fiscale hertekening van het erfrecht en schenkingen, met een focus op, noblesse oblige, méér herverdeling, raken ze dus aan de delicate verhouding tussen gezin, individu en staat. Hun analyse onderschat daarbij het cruciale principe van gezinssolidariteit. Zij die veel sparen en al weinig terugkrijgen, sparen niet zelden met een horizon die de eigen levensloop overstijgt. Van die zuurverdiende centen blijft de staat bij voorkeur af. Zeker in een land waar de fiscus al diep in de portemonnee grijpt.

De Grauwe en Van Parijs laten die gezinssolidariteit, excusez le mot, grotendeels links liggen en lijken te kamperen op een statisch ongelijkheidsbeeld. Alsof vermogensverschillen per definitie een politiek probleem zijn. Quod non. Volgens cijfers van World Data Lab is de mondiale consumptiekloof de voorbije decennia spectaculair verkleind, vooral dankzij economische groei in Azië[1].

Honderden miljoenen mensen zijn uit extreme armoede getild. Ook in Europa is de levensstandaard historisch hoog. Mensen leven langer, gezonder en comfortabeler. In België alleen al zijn sinds 2019 bijna 350.000 mensen uit de armoede geraakt. Men moet het uiteraard willen zien.

De Zweedse econoom Daniel Waldenström toont in Richer and More aan dat hoewel de rijken rijker werden, het vermogen van de middenklasse nog sneller groeide. Ongelijkheid bestaat wel, maar ze vertaalt zich niet automatisch in sociale achteruitgang.

Toch blijft het publieke debat beheerst door een hardnekkig nulsomdenken. Alsof de rijkdom van de ene noodzakelijk het verlies van de andere is. Alsof welvaart een statische taart is. Als Fernand Huts wat extra neemt, blijven er voor de anderen alleen nog kruimels over. Dat is een ontkenning van de realiteit. Het aantal taarten neemt toe. Vrijwel iedereen gaat erop vooruit, alleen niet in gelijke mate.

De geschiedenis van de westerse welvaartsstaat bevestigt dat beeld. Welvaart is niet het resultaat van een permanente fiscale wurggreep, maar van groei, vrije handel en deregulering.

Wat in het debat bovendien al te vaak onderbelicht blijft, is de mobiliteit van kapitaal. Vermogen is vluchtig. Wie te hard knijpt, houdt minder over dan verwacht. Fiscale overmoed leidt zelden tot rechtvaardigheid, maar des te vaker tot ontwijking en optimalisatie. De Grauwe en Van Parijs erkennen dat spanningsveld impliciet, maar trekken er opvallend weinig conclusies uit.

Tot slot is ongelijkheid geen anomalie, maar een wezenlijk kenmerk van een vrije samenleving. Mensen verschillen in talent, voorkeur en inzet. Het is logisch dat die verschillen zich vertalen in uitkomsten. Ongelijkheid wordt pas problematisch wanneer afkomst gelijkstaat aan toekomst, en wanneer talent en inspanning niet worden beloond.

Een beleid dat daar werkelijk een antwoord op wil bieden viseert niet het appeltje voor de dorst van de Vlaming — wat mij betreft verdwijnt de (st)erftaks best volledig — maar houdt de belastingen laag, de regels simpel en laat werken lonen.

(Verschenen in Doorbraak op 06/07/2026)


[1] https://worlddatalab.org/news/what-the-data-reveals-about-a-more-equal-world

Gepubliceerd door Mathieu Cockhuyt

Mathieu Cockhuyt (1993) behaalde een bachelor in de sociale wetenschappen en een master in de criminologie. Hij studeert bestuurskunde en publiek management aan de UGent en is werkzaam als parlementair medewerker van Valerie Van Peel (N-VA), jongerenvoorzitter van N-VA Gent en columnist.

Plaats een reactie