Bij het herschikken van mijn boekenkast viel onlangs een vergeeld exemplaar van De verweesde samenleving van Pim Fortuyn in mijn handen. Op de achterflap stond een zin die de tand des tijds opmerkelijk goed heeft doorstaan: “Wij leven in een tijd zonder richting, zonder aansprekende ideeën (…). Kortom, in een samenleving van wezen. Wij zijn echter de erfgenamen van veel.”
Die diagnose is vandaag bijzonder actueel. In een tijd van hyperindividualisme, lijkt het concept ‘gemeenschap’ bijna verdacht. Toch is precies dat gedeelde ‘wij’ de absolute voorwaarde voor elk duurzaam ‘ik’. Zonder gemeenschap zijn er geen afdwingbare rechten, houdt solidariteit geen stand en verwordt de democratie tot een zielloos vijfjaarlijks bezoek aan het stemhokje.
De Romeinen begrepen dat goed. “Civis Romanus sum”: ik ben een Romeins staatsburger. Die drie woorden stonden voor meer dan een juridisch statuut. Ze verwezen naar een identiteit, naar het diepe besef deel uit te maken van een politieke gemeenschap, een res publica, die bescherming bood maar ook plichten oplegde. Plato wist al dat samenlevingen niet gebouwd worden op louter feiten, maar op verhalen die mensen zin, richting en samenhang geven. Niet omdat die verhalen altijd feitelijk of historisch sluitend zijn, wel omdat deze “nobele leugens” een politieke orde überhaupt mogelijk maken.
Na 1945 verschoof het politieke denken echter richting individuele rechten en vrijheden. Collectieve identiteiten hadden Europa immers in de afgrond gestort. De burger werd consument, de samenleving een optelsom van individuen. Dat bracht ongeziene welvaart, maar het vertelde slechts de helft van het verhaal.
De andere helft is wat de Franse socioloog Émile Durkheim het “collectief bewustzijn” noemde, ofwel de lijm van een samenleving. Geen enkele moderne maatschappij overleeft zonder een minimum aan gedeelde overtuigingen, normen en waarden. Alexis de Tocqueville zag hetzelfde in Amerika. Democratie en de welvaartsstaat veronderstellen een gedeelde identiteit die het mogelijk maakt om een politiek te voeren rond vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Burgerschap is met andere woorden meer dan een identiteitskaart.
Want mijn individuele rechten bestaan slechts bij de gratie van een politieke gemeenschap die ze afdwingt. Mijn rechten zijn bijgevolg de plichten van de gemeenschap tegenover mij. Maar vice versa rust op mij net zo goed de plicht om die gemeenschap mee te dragen.
Juist daarom schiet ‘wereldburgerschap’ als politiek project tekort. Natuurlijk kunnen we universele waarden delen, maar solidariteit heeft concrete grenzen nodig waarbinnen wederkerigheid kan ontstaan. Democratie veronderstelt nu eenmaal een demos. Het beste vehikel om dat te realiseren blijft de natiestaat. Zoals de filosofe Hannah Arendt scherp opmerkte is wereldburgerschap bitter weinig waard als er geen concrete staat bestaat die effectief voor jouw rechten opkomt. Onderzoek bevestigt bovendien dat samenlevingen met een sterk gedeeld identiteitsbesef simpelweg beter scoren op sociale cohesie, veiligheid en onderling vertrouwen.
De vraag is dus niet of we identiteit nodig hebben, maar welke. Er bestaat een giftig nationalisme dat mensen uitsluit op basis van afkomst. Dat heilloze pad bezorgde Europa zijn donkerste bladzijden. Maar daar tegenover staat een civiele identiteit. Een gemeenschap gebaseerd op taal, de rechtsstaat en met de Verlichtingswaarden als kompas.
Bestaat er zo’n Vlaamse, civiele, gemeenschap in de sociologische en historische betekenis van het woord? Uiteraard. Ze is niet gisteren uitgevonden, maar ze is ook niet in steen gebeiteld. Net zoals het mythische schip van Theseus plank na plank wordt vernieuwd en toch hetzelfde schip blijft, zo evolueert een volk zonder haar essentie te verliezen. Omnia mutantur, nihil interit: alles verandert, niets vergaat.
Die identiteit bouwen en onderhouden we elke dag opnieuw. In onze klaslokalen, via cultuur en in onze publieke instellingen. Dat is de lijm die een diverse samenleving bijeenhoudt.
Daarom doet 11 juli ertoe. Als een jaarlijkse herinnering dat een samenleving zichzelf moet blijven vertellen wie ze is en waar ze vandaan komt. Onze geschiedenis is dan wel contingent — ze had anders kunnen lopen — maar ze is daarom niet arbitrair. We zijn geen wezen. We zijn de erfgenamen van veel. Laten we die erfenis dan ook complexloos omarmen en doorgeven.
(Verschenen in Doorbraak op 15/07/2026)